Opzet trainingsritten

Afhankelijk van het programma gedurende het seizoen heb je per week de mogelijkheid om
je in te schrijven voor 3 verschillende type ritten.

1. Temporit
2. Duurrit
3. Gravel/Cross/MTB rit

NB Voor alle ritten gelden de gedragsregels voor rijden in een groep.

 

1) Temporit
– De groep bepaalt het tempo, maar het is niet het doel om elkaar bewust te lossen
(tot aan de finale).
– Vooraf wordt aangegeven in de route waar de finale begint (ca de laatste 10 km).
– Indien voor het individu het tempo te hoog is, kan deze zich terug laten zakken naar
de achteropkomende groep (duurrit), die dezelfde route rijdt.
– Meerijden zonder kopwerk mag, zeker als training. Ook deelname aan de finale is
naar keuze. Geef dit wel aan bij de aanvang van de training, zeker als je besluit in de
finale van de route af te wijken.
– In de finale wordt op elkaar gewacht bij een val en/of letsel, niet bij overige zaken.
– Na de finish wordt buiten de rijbaan op elkaar gewacht om de training af te sluiten.

2) Duurrit
– Doel van de rit is: Samen uit / samen thuis, conditie opbouwen, social ride.
– Voorkom zoveel mogelijk inspanningswisselingen.
– Verdeel het kopwerk zo eerlijk mogelijk. Sterkere renners rijden meer op kop dan
minder sterkere renners, maar er wordt wel voor gezorgd dat geregeld wordt
doorgedraaid.
– Afhankelijk van het aantal inschrijvingen kan voorafgaand aan de rit besloten worden
de temporit en de duurrit te combineren, waarbij de afspraken voor de duurrit
gelden.

3) Gravel/Cross/MTB rit
– Doel van de rit is: Samen uit / samen thuis, conditie opbouwen, genieten van de
natuur.
– Houdt extra rekening met andere recreanten, wees respectvol, waarschuw tijdig en
pas waar nodig de snelheid aan.
– Respecteer de natuur door op de track te blijven, geen overmatig lawaai te maken en
geen afval weg te gooien.
– Houd je aan de toegangs‐ en verbodsborden en beschik over eventueel verplichte
vignet(ten).

 

Gedragsregels voor rijden in een groep.

1. We houden ons aan de verkeersregels en rijden zo veilig mogelijk.
2. Bij een val en/of letsel wordt op elkaar gewacht.
3. Ook bij pech wordt op elkaar gewacht (uitzondering: finale bij de temporit), bij
voorkeur op een veilige plek buiten de rijbaan.
4. De groepsgrootte is maximaal 14 renners; bij meer aanmeldingen wordt gesplitst.
5. Er wordt rekening gehouden met nieuwe fietsers in de groep.
6. Iedereen draagt verplicht een helm.
7. Elke fietser wordt geacht persoonlijke identificatie bij zich te dragen en een
noodnummer.
8. We rijden met de handen aan of nabij de remgrepen.
9. We rijden met maximaal 2 personen naast elkaar en houden zoveel mogelijk de
rechter zijde van de weg.
10. De voorste renners waarschuwen andere weggebruikers tijdig en respectvol.
11. Binnen de groep wordt gecommuniceerd met tekens, zowel verbaal als non‐verbaal.
Zie hiervoor “Tekens bij wielrennen in een groep”.
12. Verkeersmanoeuvres zoals afslaan, inhalen of oversteken worden uitgevoerd als
gehele groep. De voorste renners houden hiermee rekening en passen tijdig de
snelheid aan.
13. Er wordt niet abrupt van richting veranderd of geremd, tenzij in een noodsituatie.
14. Bij rijden in de berm is het advies eerst tot stilstand te komen alvorens weer de
rijbaan op te gaan.
15. Het is niet toegestaan om tijdens het fietsen een telefoon, muziekspeler of ander
elektronisch apparaat vast te houden.
16. We respecteren de natuur; gooien geen afval op de weg of in de berm.
17. Iedereen wordt geacht te fietsen op een goed onderhouden fiets. Wettelijk dient
deze voorzien te zijn van goed functionerende remmen en een fietsbel.
18. Bij duisternis of slecht zicht overdag wordt verlichting gevoerd: wit licht voor en rood
licht achter (niet knipperend).

 

Tekens bij wielrennen in een groep

Binnen de groep wordt gecommuniceerd met tekens: van voor naar achteren verbaal en
non‐verbaal, van achteren naar voren verbaal. Het betreft:

1. Stoppen: De voorrijder steekt zijn arm omhoog en roept “STOP”. De groep geeft dit
door naar achter.
2. Weg vrij: De voorrijder steekt zijn arm omhoog, wuift naar voren en roept “VRIJ”. De
groep geeft dit door naar achter.
3. Rechtdoor: De voorrijder roept “RECHTDOOR”, de groep geeft dit door naar achter.
4. Afslaan: De voorrijder steekt zijn arm naar links of rechts en roept “LINKS” of
“RECHTS”. De groep geeft dit door naar achter.
5. Obstakel rechts of inhalen: De voorrijder roept “VOOR” en maakt met de rechterarm
een zwaaibeweging tot achter het lichaam. De groep geeft dit door naar achter.
6. Obstakel links of tegenligger: De voorrijder roept “TEGEN” en maakt met de
linkerarm een zwaaibeweging tot achter het lichaam. De groep geeft dit door naar
achter.
7. Obstakel in of op het wegdek: De voorrijder roept de naam van het obstakel
(bijvoorbeeld “PAALTJE”) en wijst ernaar. De groep geeft dit door naar achter.
8. Achter elkaar rijden: De voorrijder of achterrijder roept “RITSEN”. De groep geeft dit
door. De linker rijder voegt in achter de rechter waarbij de ritsers ruimte wordt
gegeven.
9. Draaien:
a. Bij wisseling van voorrijder(s): de voorrijder maakt met de hand een
draaibeweging en roept “DRAAIEN”. De gehele groep draait met de klok mee.
Zie figuur 1.
b. Bij wisseling zonder kopbeurt: de 2e rijder links voor maakt met de hand een
wijsbeweging naar rechts, roept “TUSSEN” en voegt in achter de rechter
voorrijder. De achterliggende groep draait met de klok mee. Zie figuur 2.
10. Ingehaald worden: De achterrijder roept “ACHTER”. De groep geeft dit door naar
voren.
11. Problemen: De betrokkene roept “LEK”. De groep geeft dit door.
12. Te hoog tempo: De betrokkene roept “TANDJE”. De groep geeft dit door.
13. Achterblijvende renner(s). De achterrijder roept “GAATJE”. De groep geeft dit door
naar voren.

Draaien figuur 1:

Draaien figuur 2: